vrijdag 13 november 2015

Een grafiek met een verhaal

Afgelopen week werd ons gevraagd hoeveel mensen er vroeger in Tongeren woonde. Een moeilijke vraag want we beschikken pas vanaf het midden van de zeventiende eeuw over tellingen. Dat zijn dan de zogenaamde haardtellingen die per huis een overzicht geven hoeveel vuurplaatsen er aanwezig zijn. Op basis daarvan werden belastingen betaald. Deze gegevens beginnen in 1666.

Vanaf de achttiende eeuw gebeurden er meer tellingen. Niet enkel van huisgezinnen, maar ook van het aantal paarden per gezin, het aantal wapens, het aantal communicanten in een dorp, enzovoort. Gronden werden geteld, wegen, op sommige plekken zelfs het aantal bomen. De wereld werd gekwantificeerd. En de reden daarvoor was bijna steeds hetzelfde : meten omwille van economische en financiële redenen.

In Tongeren is het bijvoorbeeld niet toevallig dat de eerste statistische gegevens opduiken vanaf het midden van de zeventiende eeuw.

De stad had toen veel te lijden onder oorlogen, hoewel het ergste nog moest komen in de tweede helft van de zeventiende eeuw met de Frans-Hollandse Oorlog (1672-1679), de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en nadien de Spaanse Successieoorlog (1701-1713).

Door de vele opeisingen en inkwartieringen, de vernielingen en de slechte economische toestand raakte de stadskas failliet. Er moest massaal geleend worden bij (voornamelijk) rijke burgers en vele gemene (openbare) gronden en goederen werden verkocht. Hele gebieden langs de Jeker en rond de stadsomwalling kwamen zo in particuliere handen. Belangrijke families haalden hier hun fortuin uit zoals ze dit ook deden met het leveren van voedselproducten (graan, bier, …) in oorlogstijd.

 

Maar om terug te komen op de vraag of we weten hoeveel inwoners Tongeren in het verleden telde, keren we even terug naar de gegevens die voorhanden zijn.

De eerste schatting die opduikt, want we gaan dit nooit zeker weten, is voor Romeins Tongeren in de tweede eeuw. Afgaande op de grootte van de stad, archeologische vondsten en een berekening op basis van de aanwezige infrastructuur, worden schattingen gedaan van een inwonersaantal van 20 à 30.000. Een behoorlijke grote stad bijgevolg…

Daarna blijft het lange tijd onmogelijk om het aantal inwoners te schatten. Voor de 6e-7e eeuw werd zelfs gedacht dat Tongeren helemaal verlaten was, hoewel de recente opgravingen hebben aangetoond dat dit niet zo is. De vraag van continuïteit in bewoning lijkt dan ook opgelost te zijn, zonder dat we een uitspraak kunnen doen over aantallen.

De stad bloeit op vanaf de elfde eeuw, we hebben meer bronnen vanaf de twaalfde eeuw en vanaf de dertiende eeuw kunnen we de ontwikkeling van de stad goed documenteren. Tot de Bourgondische Oorlogen en de plundering van de stad in de jaren 1460 was Tongeren één van de belangrijkste steden in het prinsbisdom Luik. De stad bloeide dankzij de lakennijverheid, was een zeer belangrijk handelscentrum met internationale contacten en herbergde verschillende refugiehuizen van instellingen en adellijke heren.

Schattingen gaan uit van een 8 à 10.000 inwoners op dat moment. De Bourgondische Oorlogen brachten echter een kentering teweeg. De refugiehuizen werden verlaten en we zien Tongerse handelaars vertrekken richting het Antwerpse en de Noordelijke Nederlanden.

De zestiende eeuw zorgde niet voor veel beterschap met de Spaanse invallen, de internationale oorlogen, nieuwe pestepidemies en de godsdienstoorlogen. Begin zeventiende eeuw herleefde de stad om vanaf het midden van die eeuw een economische crisis te ondergaan. Doodsteek voor het geroemde middeleeuwse Tongeren was de Frans-Hollandse Oorlog met zeer grote vernielingen in 1673 en 1677. Tijdens die oorlog raakten meer dan 600 van de ongeveer 850 huizen in de binnenstad vernield of zwaar beschadigd. Veel mensen trokken weg, maar anderzijds waren er ook veel nieuwkomers.

Stilaan werd de stad heropgebouwd, maar tot ver in de negentiende eeuw waren er nog steeds “afgebrande plaatsen” terug te vinden. Pas in die eeuw kwam het inwonersaantal ook terug op dat van voor de Frans-Hollandse Oorlog.

Vanaf de negentiende eeuw is het inwonersaantal bovendien ook exact terug te vinden. De heffing van belasting, kiezerslijsten, het kadaster, … het volledige overheidsapparaat werd professioneler en beschikte over steeds meer volledige kwantitatieve gegevens.

 

Toen we jaren geleden een werk schreven over de socio-economische geschiedenis van de stad met aandacht voor economische golfbewegingen, vonden we per toeval een interessant archiefstuk (daterend uit 1986) terug dat ook nu nog een antwoord biedt op de vraag van het inwonersaantal.

Twee mooie grafieken duiden, volledig wiskundig correct met aandacht voor reële, lineaire en kwadratische weergaven, een mooi beeld van de bevolkingsevolutie in Tongeren.

De grafieken beginnen niet toevallig in 1575-1585, de periode waarin we over de eerste bevolkingsgegevens (parochieregisters en Luikse cijnsregisters) beschikken en lopen tot enerzijds 1795 (Franse Tijd) en 1965 (net voor de eerste fusiegolf en de uitwisseling van gebieden omwille van de taalkwestie).

Op de grafieken is heel duidelijk de invloed van oorlogen, epidemies en economische crisissen te zien, maar ook periodes van herstel en heropleving.

In ieder geval is goed te zien – de bevolkingsaantallen kan je zelf aflezen op de grafieken – in welk een dieptepunt de stad terecht kwam vanaf het midden van de zeventiende eeuw en hoelang het duurde alvorens Tongeren uit die diepe put kon kruipen.

Het hele verhaal wordt nog boeiender wanneer ook sterftepercentages en –oorzaken erbij worden betrokken, oogst- en tiendopbrengsten, jaren van inkwartieringen en opeisingen, enzovoort.

Kwantitatieve gegevens krijgen op die manier iets persoonlijks en menselijks.

Of hoe een “simpele” grafiek een heel verhaal kan vertellen.

 

donderdag 29 oktober 2015

Filmvoorstelling in het archief

Vorige week hielden we een opmerkelijke “filmvoorstelling” in het archief. Verzamelaar van Tungrensia, Nico Olislagers, had een Duitse film ontdekt die afkomstig was uit de Ambiorixkazerne ten tijde van de bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op het eerste zicht leek de film niet over Tongeren te gaan, maar je weet nooit…

Dankzij Johnny Hoegars, de bekende Tarzan-verzamelaar, konden we de film afspelen. Met heel wat moeite, want de film was sterk verweerd en brak regelmatig af.

Uiteindelijk aan de praat gekregen bleek de film te gaan over een soort van toeristische rondleiding in de streek van Liverpool en Merseyside. De film dateren we in de periode 1937-1939, in ieder geval voor de oorlog.

Tijdens het enkele minuten durende filmpje werd de industriële infrastructuur van vooral de Liverpoolse haven goed in beeld gebracht met de nodige aanduidingen omtrent bruggen, benzinetanks, fabrieken, los- en laadkranen, dokken, enzovoort.

 

Als we de link leggen met onze Ambiorixkazerne is de vondst van deze film niet onverwacht. Duitsers zwermden in de periode voor de oorlog, en vooral vanaf de Anschluss met Oostenrijk en de bezetting van Sudetenland in 1938, uit in Europa om “toeristgewijs” mogelijke doelwitten voor bombardementen vast te leggen.

Gezien het feit dat de Duitse Luftwaffe was ondergebracht in de Ambiorixkazerne gaat het zonder twijfel om een instructiefilm.

De indrukwekkende haveninstallatie van Liverpool, één van de grootste aan de Atlantische Oceaan, leken nog majestueus.

De zogenaamde “Liverpool Blitz” bracht hier echter een einde aan. Een eerste aanval werd uitgevoerd op 28 augustus 1940 door 160 Duitse bommenwerpers. Tot Nieuwjaar, met een grote uitschieter tijdens de Christmas Blitz, werd Liverpool zwaar gebombardeerd.

In mei volgde een heropflakkering van de bombardementen waarbij de haveninfrastructuur volledig in puin werd gelegd.

Doordat de aandacht van de Duitsers verschoof richting Rusland, verminderden de luchtaanvallen. Op 10 januari 1942 werd de laatste uitgevoerd.

Hoewel filmen en filmrollen toen nog zeer kostelijk waren, werden deze aanvallen zeer vaak geoefend met het soort film die we in Tongeren hebben aangetroffen.

Jammer genoeg geen Tongerse film, maar wel weer een uniek stukje geschiedenis ontdekt.

 

woensdag 7 oktober 2015

Nieuwe website Nieuws van de Grote Oorlog

Wie kent de nieuwe website www.nieuwsvandegrooteoorlog.be nog niet?  Jammer genoeg nog veel mensen, dus een beetje reclame maken voor collega’s kan geen kwaad.

Twee jaar lang werkten zeventien Vlaamse organisaties aan het inventariseren, digitaliseren en online brengen van enkele honderdduizenden pagina’s van kranten uit de periode 1914-1918.

Dit leidde uiteindelijk tot deze website die zo een online databank vormt met persmateriaal uit de periode van net voor, tijdens en na de Eerste Wereldoorlog.

Neem zeker eens een kijkje. Ook voor Tongeren zijn er tal van zoekresultaten. Het is soms wat zoeken en snuffelen, maar de databank geeft mooie resultaten. Heel wat sportuitslagen zijn te vinden, discussies omtrent de gemeenteraadsverkiezingen en uiteraard ook over de Oorlog zelf.

Zoals bijvoorbeeld de vermelding in “Ons Limburg” op 1 juli 1918 van de bevorderingen van frontsoldaten Franz Theelen en Jan Wilmots tot onder-luitenant.

 

 

woensdag 23 september 2015

Het kaartboek van het kapittel van OLV (1793)

Afgelopen zomer werd het kaartboek van het kapittel van OLV gedigitaliseerd door Albert Knapen. Het werd eerder al in 2013 gerestaureerd door Anja Vanderhoydonck van atelier De Vergure. Het kaartboek is één van een vijftal uitgebreide cartografische werken die we in het stadsarchief bewaren. De ontstaanscontext en de uitvoerder van de opmetingen zijn echter bijzonder…

 

In 1792 besliste het kapittel van OLV om een opmeting van haar goederen te doen. De opdracht werd toegekend aan Jacques-Arnaud Gérardot de Sermoise (° 1769 te Brie, Frankrijk). Een hele boterham, hij ondertekende zelf meestal als “Jacques de Sermoise”.

Op zich stellen deze gegevens niet heel veel voor. Het gebeurde regelmatig dat een (geestelijke) instelling zijn goederen liet opmeten of in kaart brengen, enkel het tijdstip en de uitvoerder zijn wel bijzonder. Daarbij moeten we ook vermelden dat het kaartboek, waartoe alle werk leidde, het enige cartografische document van het OLV-kapittel is.

De opdracht werd beslist in 1792 en uitgevoerd in 1793. In volle revolutietijd dus!  Amper drie jaren later zou het kapittel zelfs opgeheven worden. Laten we kort de situatie in Tongeren schetsen. De revolutietijd begon hier in augustus 1789. Op 18 augustus werd het Luikse stadhuis bezet. Directe aanleiding waren de ideeën achter de Franse Revolutie met als hoogtepunt de bestorming van de Bastille op 14 juli. 20 augustus werd ook het Tongerse stadsbestuur naar huis gestuurd en vervangen door een zogenaamde patriottische raad. Een week later vluchtte de Luikse prins-bisschop naar Trier en toen was het hek van de dam. En nu volgt een ingewikkeld verhaal…

De oude ordonnanties en edicten werden nietig verklaard en “de macht werd aan het volk gegeven”. De “coup” duurde echter niet lang. Op aansturen van de gevluchte prins-bisschop namen Pruisische troepen op 24 november 1789 Luik in en twee dagen later kwam het oude stadsbestuur in Tongeren terug aan de macht. Maar niet voor lang, de revolutiestrijd sleepte aan en op 30 april 1790 werd het stadhuis opnieuw door de patriotten ingenomen. De situatie escaleerde verder door de oprichting van een Luiks nationaal leger, waar Tongeren en Tongenaren gretig aan deelnamen.

Nu waren het de Oostenrijkers die de macht probeerden te herstellen en op 24 januari 1791 werd het oude stadsbestuur voor de derde keer terug aangesteld !

Einde 1792 versloeg de Franse revolutionaire generaal Dumouriez de Oostenrijkers bij Jemappes waardoor de patriotten terug de teugels in handen kregen in Tongeren. Maar weeral niet voor lang want in maart 1793 moesten de Fransen terug wijken en werd het oude stadsbestuur voor de vierde keer terug aangesteld !

Pas na de Slag bij Fleurus op 26 juni 1794 keerden de Franse troepen onder leiding van generaal Jourdan terug naar onze stad. En dit keer definitief, of tenminste toch tot 1815.

Op 1 oktober 1795 werd het prinsbisdom Luik, en dus ook Tongeren, officieel bij de Franse Republiek gehecht en behoorde onze stad tot het “Département de la Meuse Inférerieure” met als hoofdplaats Maastricht. Van groot belang voor ons was het verschijnen van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1796 dat alle oude wetten en gebruiken verving. Verder waren ook de verschillende decreten uit 1794-1795 van belang. Die regelden de uitoefening van de eredienst alsook de bekende eed van trouw aan de republiek en de eed van haat aan het koningdom. Hierdoor ontstond veel verwarring en verzet. Vele geestelijke weigerden de eed af te leggen en werden vervolgd. Een ander gevolg was dat de kerkelijke goederen eigendom werden van de staat en als dusdanig werden verkocht. Kloosterlingen kregen staatsbonnen en kloosters werden opgeheven. Enkel het begijnhof en het gasthuis in Tongeren kregen een speciale behandeling (omdat ze verzorgende instellingen waren en ze niet dezelfde regels volgden als kloosterlingen). Het OLV kapittel werd opgeheven en pas met het concordaat tussen de paus en Napoleon (1801) werd onze basiliek terug als kerk heringericht.

Een lang verhaal om te duiden in welke tijd het kaartboek tot stand is gekomen. De redenen om dit kaartboek op te stellen lijken van puur economische aard te zijn. Men had een duidelijk overzicht nodig van alle gronden die eigendom waren van het kapittel, waar dat jaargetijden op stonden, etc. Maar toch kan het geen toeval zijn dat net in 1792-1793 wordt beslist om dit document op te stellen.

 

Wanneer we verder kijken naar de cartograaf die de kaarten tekende, leidt dit enkel tot een nog mooier verhaal.

Jacques de Sermoise kwam in 1792 met het Franse leger in Tongeren aan en toen dit zich in maart 1793 terugtrok verkoos hij in Tongeren te blijven. Met die korte mededeling over zijn aankomst in Tongeren moeten we het doen. In ieder geval kwam hij hier niet aan als “émigré” en was hij op één of andere manier verbonden aan het leger. Toen de Fransen in 1794 terug te Tongeren waren, werd hij geregeld belast met opdrachten die “veel tact” vereisten. Zo werd hij op 17 december 1795 naar Maastricht gestuurd om er namens de stad een uitstel van betaling van belasting te bekomen.

In 1796 werd hij echter verdacht van koningsgezindheid en in Maastricht opgesloten. In april 1797 bleek dat de beschuldigingen niet hard konden gemaakt worden en werd hij terug in vrijheid gesteld. In 1805 was hij landmeter en wordt in die hoedanigheid aangesteld als opmeter voor het tracé van de nieuwe steenweg van Tongeren naar Maastricht en in 1817 (Nederlands bestuur) voor de aanleg van de Sint-Truidersteenweg.

Vanaf 1821 was hij ook gemeenteraadslid in Tongeren. In 1843 werd hij geridderd in de orde van koning Leopold “voor zijn talent en inzet, getoond bij de werken aan de eerste brug over de Maas te Seraing”. Hij overleed op 9 mei 1852 in Tongeren.

Een korte biografie over een zeer veelzijdig en onderlegd iemand. Hij was duidelijk geschoold en bekwaam en ook niet onbemiddeld toen hij in Tongeren aankwam. Zo hebben we ook een duidelijk overzicht van zijn eigendommen (waaronder kanunnikenhuis III).

Maar we wijken te ver af want over de persoon Jacques de Sermoise valt duidelijk heel wat te vertellen.

 

Met de restauratie en het digitaliseren van het kaartboek van het OLV-kapittel wordt weer bijgedragen aan de goede bewaring en valorisatie van een belangrijk historisch document.

Maar zoals gesteld zijn er heel wat boeiende verhalen te vertellen over dit document, de tijd waarin het tot stand gekomen is en de uitvoerder ervan.

 

 

 

dinsdag 28 juli 2015

Knutseltips

Met de regenachtige dagen twee “knutseltips”. In het archief van notaris de Fastré (1774) bevinden zich enkele recepten.

Wie een beetje wil knoeien, kan zijn eigen (zwarte) inkt maken :

-       ¼ deel galnoten

-       ¼ deel arabische gom (plantaardig bindmiddel)

-       ¼ deel blauwhout (campeche)

-       ¼ deel koperroos (ijzersulfaat of vitriool)

-       1 deel water

-       1 deel azijn

Alle ingrediënten zijn te vinden via internet.

 

Voor wie geen zin heeft in het knoeiwerk, alhoewel, een recept om wafels te bakken :

-       1kg tarwemeel

-       1kg boter

-       8 eieren waarvan vier enkel het eigeel

-       250gr suiker

-       Kopje kaneel naar smaak

 

donderdag 23 juli 2015

Walvissen in de Buthbeek

Een toch wel bijzondere ordonnantie vonden we terug in het archief van de schepenbank van Nerem. De Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden laten in 1752 onder andere in Nerem afroepen dat drie walvisvaarders onder hun bescherming stonden. Het betreft de Vrouw Leonora die een vierde van een walvis en enkele robben vervoerde en de schepen Groenlandia en Bruynvis die robben hadden gevangen. Bijna ingesloten door het ijs moesten ze vluchten. Men mocht hen geen kwaad berokkenen…

 

De Nederlandse walvisvaart ontstond in het begin van de zeventiende eeuw toen de inventieve Hollandse vloot op zoek was naar een alternatieve, noordelijke, route naar Azië. Die vonden ze niet (denk maar aan het verhaal van Willem Barentz), maar wel ontdekten ze grote kudden walvissen. Van 1614 tot 1642 had de Noordsche Compagnie het monopolie op de walvissen- en robbenvangst. Hun doel was de verwerking van het walvisspek tot traan voor lampolie, verf, smeerolie, … en van slachtafval tot lijm. Terzijde werden ook de baleinen industrieel verwerkt in voornamelijk luxeproducten (waaiers, paraplu’s, schilderijlijsten, medische instrumenten, etc.).

Vanaf de jaren 1670 daalden de opbrengsten doordat rond Spitsbergen het aantal walvissen terugliep. De mindere opbrengsten in de haringvisserij, die leidde tot een overgang naar de walvisvaart, en het ontdekken van nieuwe gebieden rond Groenland leidde echter op het einde van de zeventiende eeuw tot een nieuwe bloei.

Toen de genoemde drie walvisvaarders Groenlandia, Bruynbis en Vrouw Leonora uitvoeren (hun geschiedenis is trouwens gedocumenteerd) was de vaart al weer over zijn hoogtepunt heen, net zoals trouwens de hele Hollandse economie. In 1873 werd de laatste walvis door een Nederlands schip gevangen. De heropflakkering van de walvisvangst in het begin van de twintigste eeuw, voornamelijk onder impuls van Noorwegen en Engeland, ging zo aan Nederland voorbij. Een korte tijd, tussen 1946-1964, waren er terug enkele schepen actief in Nederland om nadien definitief te stoppen met de vangst…

 

Maar hoe komt Nerem in contact met dit verhaal want op de Buthbeek zijn natuurlijk geen walvissen te vinden.

Dat heeft alles te maken met het bijzondere statuut van Nerem tijdens het ancien régime. Samen met Nerem en Paifve werd het in 1204 door Duits koning Filips van Zwaben afgestaan aan hertog Hendrik I van Brabant. De Luikse prins-bisschop betwistte dit echter waardoor als uiteindelijk compromis een soort van tweeherigheid werd voorgesteld. Op die manier ontstonden de redemptiedorpen Veulen, Hermalle, Paifve, Fallais, Hoepertingen, Rutten, Roten, Mopertingen en Nerem. Nadat stadhouder Frederik Hendrik van Nassau zich in 1632 meester had gemaakt van Maastricht traden de Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden in de rechten van de hertogen van Brabant.

De dorpen bekwamen zo een zekere zelfstandigheid, behalve dan dat ze aan de beide heren (Luik en Brabant, nadien de Staten Generaal) belasting moesten betalen. Resultaat was wel dat zowel de wetten uitgevaardigd door de Luiks overheid als door de Staten Generaal moesten gevolgd worden.

En zo kwam het dat ook deze ordonnantie betreffende de walvisvaart in de kerk werd voorgelezen en opgehangen. Of hoe de exotische en vreemde wereld waarmee de Hollanders in contact kwamen ook de Buthbeek bereikte.

Bij het verdrag van Fontainebleau in 1785 werden uiteindelijk alle rechten over de redemptiedorpen aan de Staten Generaal overgedragen waardoor Nerem “Hollands” werd. De Bataafse Republiek stond ze in 1795 aan Frankrijk af waarna Nerem een aparte gemeente werd.

 

donderdag 18 juni 2015

Op een dood spoor

Tijdens het opstellen van een werk over Tongerse wapenschilden, vonden we een vermelding van een verdwenen grafsteen uit de zeventiende eeuw die toebehoorde aan de familie Schroots. Op zich is dit niet zo bijzonder. We vinden in de archieven tientallen vermeldingen en zelfs beschrijvingen terug van grafstenen (grafplaten en grafkruisen) die nu verdwenen zijn.
Dit gaat dan om grafstenen die doorheen de tijd vervangen zijn geweest, bijvoorbeeld een kleinzoon die de grafkelder van zijn grootouders wilde gebruiken maar wel de grafsteen liet vervangen. Of dit zijn grafstenen die zich bevonden in een klooster dat in de Franse Tijd (1797 en later) verkocht werd als zwart goed. De inboedel werd mee verkocht, gebouwen werden afgebroken, het materiaal werd herbruikt voor bouwwerken, etc. Ofwel gaat het om grafstenen die tijdens de vele neo-romaanse en neo-gotische verbouwingen in de negentiende eeuw verwijderd zijn. Vloeren werden vervangen, grafstenen werden verplaatst of verkocht.
Maar gelukkig werden er ook tal van grafstenen gerecupereerd. Zo vind je in de kerk van Piringen een grafsteen van de familie van Bloer (17e eeuw). De steen was afkomstig uit de Sint-Janskerk, werd verkocht in de negentiende eeuw, door afstammelingen gekocht en geplaatst in het gedeelte onder de toren in de kerk van Piringen. Zo zijn er in de kloostergang van de basiliek heel wat grafstenen die niet uit de OLV-kerk komen, maar bijvoorbeeld uit de Sint-Niklaaskerk die in 1818 werd afgebroken. En zo zijn er bijvoorbeeld drie grafstenen uit de Sint-Janskerk die gebruikt werden als dorpels voor enkele huizen aan de Piepelpoel. Het hergebruik van de blauwe stenen voor dorpels, deurstijlen, vensterbanken, … was trouwens heel populair.
Maar om terug te komen op die grafsteen van de familie Schroots… Bijzonder aan de vermelding was dat de steen afkomstig was uit de Sint-Maternuskapel die in 1803 werd afgebroken. De kapel, één van de oudste Christelijke gebouwen in West-Europa, waarvan de fundamenten zich bevonden op een Romeinse toren (Vrijthofsite) moest toen letterlijk meer plaats maken.
Van die kapel zijn er nauwelijks of geen (?) voorwerpen bewaard gebleven. We kennen enkel een Romeinse steen die nu is ingemetst in de buitenzijde van de schatkamer. Er zijn ook maar twee afbeeldingen van de kapel bewaard gebleven…
Een toch wel bijzondere vondst waar we het fijne van moesten weten. Begraven worden in de kerk was trouwens tot het einde van de achttiende eeuw heel normaal, toch zeker voor de geestelijkheid en de patriciërsfamilies. Zo zijn er tijdens de archeologische opgravingen in de basiliek honderden grafvondsten gedaan (Romeins tot achttiende eeuw). In totaal werden 348 min of meer volledige skeletten aan en fysisch antropologische studie onderworpen.
Een archiefonderzoek naar begravingen in de OLV-kerk, de kloostergang en de kapellen leverde echter minder resultaat op. Er werden zestig vermeldingen gevonden van begravingen, te situeren tussen 1403 (deken Radulfus de Rivo in de kloostergang) en 1793 (kanunnik Pierre de Bettonville “in de kerk”). Geen enkele vermelding wijst echter naar de Sint-Maternuskapel. Dus nog een bijkomende reden om die grafsteen van de familie Schroots een bijzondere vondst te noemen.

We hebben het de hele tijd over die familie Schroots, maar over wie gaat het nu? De familie komt uit de streek van Brustem en Sint-Truiden, hun stamboom gaat terug tot de vijftiende eeuw. Oudst gekende stamvader is Robert Schroots die omstreeks 1400 in de Loonse leenregisters wordt vermeld. Doorheen de tijd vormden zich twee takken, de “zwarte Schroots” en de “rode”, verwijzend naar de andere kleur op hun wapenschild.
In de zestiende eeuw kwam een jongere tak in Tongeren terecht. Jacob Schroots (+ 1570) die via zijn moeder heer werd van Werm (Hoeselt), vestigde zich in de Sint-Jansstraat. Later verwierf Michel de Schroots, in 1665 gehuwd met Georgia Vaes, dochter van schepen Jan Vaes (+ 1662) en Barbara Loeffs huizen in de Momberstraat en de Hemelingenstraat.
De grafsteen waar de afbeelding van teruggevonden is, is het epitaaf van die gemelde Jacob Schroots en zijn vrouw Maria de Jeude gezegd Hardinxvelt. Hoewel teruggevonden niet helemaal correct is. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd er nog een tekening van gemaakt, maar de oorsprong ervan noch het lot nadien waren duidelijk.
De steen werd in 1642 geplaatst in opdracht van Mechtildis de Schroots, vrouwe van Werm, oudste dochter van het gezin. Ze was kanunnikes in Andenne en overleed kinderloos. Na haar dood ontstond een hele discussie over haar erfenis en raakte onder andere Werm verdeeld tussen verschillende families.
Mechtildis de Schroots bewoonde een monumentaal pand in de Kielenstraat, voordien eigendom van de familie de Hinnisdael (heren van Otrange) en waar nadien het Jezuïetenklooster werd gevestigd. Delen hiervan zijn nog te herkennen in het straatbeeld (voormalig huis van de advocaat / vredegerecht en hogerop.
Ze deed belangrijke giften aan de OLV-kerk. Zo bleef er een reliekhouder bewaard in de schatkamer, door haar geschonken in 1640…

Zoals gezegd werd de Sint-Maternuskapel afgebroken in 1803. De afstammelingen van de familie Schroots uit Sint-Truiden, de Tongerse tak was ondertussen uitgestorven, kochten de grafsteen op en plaatsten die aan de “collegiale kerk van Sint-Truiden”. Daar is er echter geen spoor meer van te vinden. Het zoeken leidde ons verder naar het kerkje van Melveren waar de familie Schroots nog in de negentiende eeuw een kasteeltje bewoonde. Inderdaad bevindt zich daar nog een grafsteen van de familie Schroots, maar niet degene die we zochten.
Heel wat inboedels van kerken werden in de negentiende eeuw verkocht. Na een eerste redding in 1803 onderging dit lot waarschijnlijk ook onze Tongerse grafsteen die ergens in Sint-Truiden was beland.
Na een hele zoektocht om een uniek stukje erfgoed van de Sint-Maternuskapel terug te vinden, kwamen we alsnog op een dood spoor.